Haïti

Haïti

Op 6 december 1492 zet Columbus voet aan wal op Ayiti (Haïti). Hij geeft het een nieuwe naam: Hispaniola, klein Spanje. Ayiti – de naam betekent bergachtig land – wordt bewoond door Arawak indianen. De ‘ontdekking’ van hun eiland door de Spanjaarden luidt hun ondergang in. Hun cultuur gaat verloren op Haïti.

Op het eiland leven ongeveer drie- à vierhonderdduizend Arawak indianen in een goed georganiseerde samenleving. Het eiland is onderverdeeld in vijf koninkrijken (cacicaten). Aan het hoofd van ieder koninkrijk staat een leider, de cacique. Ieder dorp heeft ook een eigen dorpscacique (dorpshoofd).

Strijd om op Ile de la Tortue
In 1629 vestigt zich een groep van zo’n tachtig Fransen zich op Ile de la Tortue. Ze zijn afkomstig van het eiland Saint Christophe en op de vlucht voor Spanjaarden. Kort daarna krijgen ze gezelschap van enkele honderden Engelsen die door Spanjaarden verjaagd zijn van het eiland Nevis. De Spanjaarden voelen niets voor deze kolonie voor hun kust en verjagen de kolonisten in 1630. De Engelsen komen het jaar daarop al weer terug en veranderen de naam van Ile de la Tortue in Association Island.

De Spanjaarden grijpen in en weer komen de Engelsen en de Fransen terug. In 1640 krijgen de Fransen vaste voet aan de grond op Ile de la Tortue. Onder leiding van de protestantse militair ingenieur Francois Levasseur blijft het eiland meer dan tien jaar in Franse handen (tot 1654). Levasseur is dan al overleden. In 1652 is hij vermoord. Het eiland gaat weer over in Spaanse handen en vervolgens in die van de Engelsen.

Franse heerschappij
Uiteindelijk komen Ile de la Tortue en de kust van Hispaniola op 6 juni 1665 definitief in Franse handen, zo blijkt uit een officiële acte van Bernard d’Ogeron, de gouverneur van Ile de la Tortue.

Ondertussen zijn er op de westelijke helft van Hispaniola ook Franse nederzettingen ontstaan. Port-de-Paix, Petit Goave (1659), Leogane (1663) en Cap Haitien (1670). D’Ogeron wordt vanuit Ile de La Tortue de grondlegger van de Franse heerschappij over het latere Saint Domingue. In 1697 komt het westelijke deel van Hispaniola, dat Saint Domingue wordt genoemd, door de vrede van Rijswijk definitief in Franse handen. Aan het begin van de 18e eeuw komt de kolonie tot bloei. Overal worden plantages aangelegd. Saint Domingue wordt Frankrijks welvarendste kolonie. De productie van tabak, suiker, koffie, indigo etc kan alleen plaatsvinden door de arbeidskracht van duizenden slaven uit Afrika.

Het eerste fort
Op Kerstdag 1492 loopt De Santa Maria – het vlaggeschip van. Ze noemen het fort La Navidad . Na dit voorval besluit Columbus terug te keren naar Spanje om rapport uit te brengen aan de koning van Spanje en om een nieuwe, grotere expeditie uit te rusten. In het fort laat hij een kleine groep soldaten achter met het uitdrukkelijke bevel de indianen goed en respectvol te behandelen.

Wanneer Columbus naar La Navidad bestaat het fort niet meer. Tegen het bevel van Columbus in, hebben de achtergebleven soldaten zich vergrepen aan de Indiaanse vrouwen. Op zoek naar goud zijn ze op strooptocht gegaan. De wraak van de indianen laat niet lang op zich wachten. De kleine groep Spanjaarden staat machteloos tegenover de indianen. Het fort La Navidad gaat in vlammen op en alle Spanjaarden worden gedood.

Vernietiging van de indianen
Veel Spanjaarden zijn op jacht naar goud en maken zich schuldig aan plunderingen. Columbus lijkt anders te willen, De indianen worden overwonnen. Zolang de caciques de gevraagde hoeveelheden goud en voedsel leveren, worden ze met rust gelaten. Duizenden indianen sterven als gevolg van de zware lichamelijke arbeid. Ook westerse ziekten als pokken en tbc eisen hun tol.

Het belang van Saint Domingue voor Frankrijk is groot. Een vijfde van haar buitenlandse handel wordt gevormd door de import uit en de export naar de kolonie. De kolonie verschaft 15.000 matrozen het hele jaar door werk. De doorvoer en verwerking van koffie, suiker, cacao, indigo, katoen en tabak bepalen voor twee vijfde deel de handelsbalans. Koffie wordt in de bergen verbouwd, suikerriet op de vlaktes. Cap François (het huidige Cap Haitien) is aanvankelijk de hoofdstad met 18.000 inwoners, gevolgd door Port-au-Prince met 10.000 inwoners, dat in 1749 de hoofdstad wordt. Saint Domingue wordt bestuurd door een vanuit Parijs aangesteld koloniaal bestuur met een gouverneur en een intendant, ondersteund door de marechaussee.

Planters en slaven
Frankrijk heeft zijn handelsbelangen met Saint Domingue veilig gesteld door het Exclusif Metropolitain: De groep planters bestaat uit zowel blanken als mulatten (vader wit en moeder zwart of andersom).
Rond 1791 zijn er ongeveer 25.000 tot 30.000 blanken; iets meer kleurlingen mulatten en naar schatting minimaal 450.000 slaven. De jaarlijkse aanvoer van nieuwe slaven uit Afrika ligt dan op ten minste 30.000 per jaar. Met harde en wrede hand worden de slaven onder de duim gehouden. De wil van de meester bepaalt hun leven. Ze moeten buitensporig hard werken, hebben te weinig te eten, en krijgen geen toegang tot gezondheidszorg of onderwijs.

Veel slaven sterven een vroegtijdige dood. Een van bekendste opstandelingen is de slaaf Macandal. Zes jaar lang is hij de schrik van de plantage-eigenaren. Ook zijn er steeds meer slaven die de plantages ontvluchten en een veilig heenkomen in het slecht toegankelijke en bergachtige binnenland zoeken. Zij worden marrons genoemd.

Op 14 augustus 1791 is er een geheime bijeenkomst van slaven in het Bois Caiman in het noorden van Haïti. Onder leiding van de Houngan Boukman ((voudoupriester ) vindt er een voudouceremonie plaats en wordt de laatste hand gelegd aan een plan voor een slavenopstand in het noorden. Op 22 augustus is het zover. Door middel van trommels en het blazen op de lambi (een hoornschelp) wordt het signaal van de opstand gegeven. Binnen korte tijd worden 2000 blanken gedood en honderden plantages gaan in vlammen op.

Toussaint Louverture
De blanken en de mulatten proberen ze de opstand in te dammen. Twee vertegenwoordigers vanuit Frankrijk, Sonthonax en Polverel, geven hier leiding aan. Ook worden er Franse troepen aangevoerd. Spanje valt met het slavenleger Saint Domingue binnen.
Sonthonax en Polverel begrijpen dat hun kans op succes verdwenen is. Aanvoerder Toussaint Louverture, besluit de kant van de Fransen te kiezen. Frankrijk herovert Toussaint Louverture met zijn slavenleger het eiland op de Spanjaarden en Engelsen. Hij is nu de nieuwe machthebber op het eiland. In 1801 laat hij zich uitroepen tot gouverneur voor het leven.

De gebeurtenissen op Haïti komen in een stroomversnelling door de Franse Revolutie in 1789. In Frankrijk klinkt de ‘Vrijheid, gelijkheid en broederschap’. In het zelfde jaar wordt de verklaring van de Rechten van de Mens opgesteld. Hierin wordt gesproken over gelijke rechten voor alle mensen. Betekent dit het einde van de slavernij? De kolonie is in verwarring. In 1791 breekt de slavenopstand uit. Na een jarenlange strijd, waarin naast Frankrijk ook Spanje en Engeland betrokken raken, wordt Haïti in 1804 onafhankelijk.

1804: onafhankelijkheid
Dat Toussaint Louverture de macht van de Fransen min of meer heeft overgenomen zit Frankrijk niet lekker. Ze zien het eiland, waaraan ze zoveel geld verdiend hebben, uit hun vingers glippen. Napoleon Bonaparte, die in Europa inmiddels zijn handen vrij heeft, besluit in 1801 een invasiemacht onder leiding van generaal Leclerc naar Saint Domingue te sturen. Toussaint Louverture wordt gevangen genomen en naar Frankrijk gestuurd. In een gevangenis in de Franse Jura overlijdt hij.

Op Haïti slaat dan opnieuw de ziektes toe. De Franse troepen lijden veel verliezen door tropische ziekten. Onder leiding van generaal Dessalines worden de Franse troepen uiteindelijk door zwarte en mulatten legers verslagen. In 1804 wordt in de stad Gonaïves de onafhankelijkheid van Saint Domingue uitgeroepen. Het land krijgt zijn oude naam terug: Haïti. Het volkslied krijgt de naam van de bevrijder: Dessalinienne.

Nakomelingen van Poolse soldaten in Haïti
In het Franse invasieleger, onder leiding van generaal Leclerc, dat het opstandige Saint Domingue weer onder Frans gezag moest brengen, vochten ook soldaten uit Polen mee. Zo’n 5.000 Polen landden op het eiland om de keizer te helpen de verloren gegane kolonie terug te winnen. Al snel verliezen de Polen de zware gevechten en door de gele koorts. Luitenant Josef Zandora schrijft op 20 april 1803 in een brief het volgende:

“Dit is waarschijnlijk de laatste keer voor mijn dood dat ik je schrijf, want al wat er van mijn derde brigade is overgebleven, zijnn driehonderd manschappen en wat officieren……Alle anderen zijn dood. Ik ben vervuld van wanhoop terwijl ik dit schrijf en heb veel spijt van mijn besluit naar Amerika te gaan en zou het nu zelfs mijn ergste vijand niet aanraden. Veel beter is het bedelaar in Europa te zijn dan je geluk zoeken in Amerika waar duizend ziekten je noodlottig kunnen worden. We zouden allemaal graag uit het leger stappen, maar de Fransen dwingen ons door te vechten. ” (overgenomen uit: Vergeten blanke stammen van Riccardo Orizio (2000)).

Toen Haïti in 1804 onafhankelijk werd, beval Dessalines de achtergebleven Polen het Haïtiaanse staatsburgerschap te verlenen. In de Grondwet van 1800 staat het volgende met betrekking tot deze genaturaliseerde Polen.

Artikel 12. No whiteman of whatever nation he may be, shall put his foot on this territory with the title of master or proprietor, neither shall he in future acquire any property therein.

Artikel 13. The preceding article cannot in the smallest degree affect white woman who have been naturalized Haytians by Government, nor does it extend to children already born, or that may be born of the said women. The Germans and Polanders naturalized by government are also comprized in the dispositions of the present article.

Het begin van Haïti 1804-1843
Nu de onafhankelijkheidsstrijd gestreden is, moet het land weer opgebouwd worden. Ook moet het zijn plek binnen de internationale gemeenschap zien te vinden. Dessalines regeert de nieuwe natie met harde hand. Allereerst laat hij uit haat alle nog in Haïti aanwezige Fransen vermoorden. Hiermee raakt hij een groep mensen kwijt die nog een waardevolle bijdrage aan de wederopbouw van het land hadden kunnen leveren.
Als zwarte generaal bevoorrecht hij de zwarte elite en hij onteigent de grond van een grote groep mulatten. Ondertussen breekt corruptie en machtsmisbruik uit. Belangrijke legerleiders als Christophe, Pétion en Geffrard jaagt hij tegen zich. Zij brengen Dessalines op 17 oktober 1806 om het leven.

Na de dood van Dessalines valt het land uiteen in twee delen. De zwarte generaal Christophe en de mulatten legerleider Pétion zien zich beiden als personen om de nieuwe natie te leiden. Christophe vestigt zich in het noordelijke deel van Haïti een koninkrijk en Pétion een republiek in het zuiden. In het zuidelijke deel heeft de slaaf Goman daarnaast nog jarenlang leiding gegeven aan een zelfstandige gemeenschap van marrons (gevluchte slaven).

Koning Christophe ( Henry 1) , is bang dat vroeg of laat de Fransen weer proberen Haïti binnen te vallen. Om zich te kunnen verdedigen laat hij op een hoge bergpunt een gigantisch fort bouwen: Citadel La Ferrière. Er wordt gezegd dat meer dan 200.000 mensen aan dit fort gebouwd hebben, van wie er 20.000 verongelukt zijn tijdens de bouw. De Fransen komen echter niet terug en Christophe wordt niet verjaagd door zijn voormalige vijanden, maar door zijn eigen onderdanen.
Een opstand in 1820 maakt een eind aan zijn plannen. Als gevolg van een hersenbloeding raakt hij eenzijdig verlamd; vervolgens pleegt hij zelfmoord.

Pétion, de eerste president van Haïti. Petions opvolger Boyer maakt handig gebruik van de nieuwe situatie. Haïti is weer verenigd. De levensomstandigheden in het noorden van Haïti zijn ondertussen aanzienlijk beter dan in het zuiden. In het zuiden gaat het er allemaal wat gemakkelijker aan toe.
In 1817 overlijdt Pétion. Boyer volgt hem op. Onder grote druk accepteert Boyer in 1825 een Frans voorstel. Frankrijk wil Haïti erkennen op voorwaarde dat zij schadeloos wordt gesteld voor het verlies van haar kolonie. Het accepteren van de voorwaarden leidt tot veel onrust in Haiti. Ondanks het herstel van de handel met Frankrijk gaat het economisch niet beter. De schuld legt een zware last op het land. In 1838 wordt het schuldbedrag verminderd. Boyer probeert het plantagesysteem weer nieuw leven in te blazen, op die manier zou er weer voor de export geproduceerd kunnen worden. Door een opstand in 1843 kwam daar een einde aan.

Amerikaanse bezetting 1915-1934
Van 1915 tot 1934 is Haïti bezet door Amerikaanse mariniers. De Amerikaanse bezetting brengt rust en vooruitgang in Haïti. Tegelijk heerst er veel verzet tegen en onvrede over de bezetting. Als de Amerikanen in 1934 het land verlaten ervaren velen dat als een tweede onafhankelijkheid.
Op 28 juli 1915 gaan 330 mariniers van de USS Washington aan land op Haïti. Hun missie is om de hoofdstad binnen te trekken en de haven en de commerciële wijk de bezetten. Ze ondervinden nauwelijks weerstand. Een van de mariniers is sergeant Faustin Wirkus.

Vanuit deze overtuiging begon Marijke Zaalberg in 1998 in de bergen ten zuiden van Port au Prince in Haïti met het geven van onderwijs: het ontstaan van Stichting Naar School in Haïti. Inmiddels is deze school uitgegroeid tot een hoofdgebouw met zestien lokalen, een keuken, een kinderopvanghuis, een vrijwilligersverblijf, een eigen watervoorziening, vier houten kleuterlokalen en een moestuin. Ruim 800 kinderen volgen er onderwijs; van de eerste klas kleuterschool tot en met de derde klas middelbare school. Daarnaast krijgen de kinderen iedere schooldag een warme maaltijd, voor hen vaak de enige maaltijd op een dag. Ook wordt, indien nodig, hulp geboden op het gebied van tijdelijk onderdak, medische zorg en hulp aan kinderen die naar andere scholen gaan. Vanuit de school worden ook projecten opgezet en uitgevoerd om de leefomstandigheden voor de bewoners in het gebied rondom de school te verbeteren. Het uitdelen van zaden, bonen, geiten en hulp bij het bouwen van aardbeving en orkaan bestendige huisjes zijn daar voorbeelden van.

 

Haïti is één van de armste landen van de wereld. Een land waar meer dan 80% van de mensen analfabeet en werkloos is. Een land dat regelmatig wordt geteisterd door natuurgeweld. Maar ook een land waar kinderen die gesteund worden door Stichting Naar School in Haïti een kans krijgen op een beter bestaan.

Voor de financiering van haar werk in Haïti is de stichting geheel afhankelijk van donaties van particulieren, bedrijven, scholen, kerken, instellingen en dergelijke.
Uw hulp is dus hard nodig!

Wilt u meehelpen om het werk van onze stichting voort te zetten en daarmee ons doel, onderwijs voor kinderen in Haïti, te verwezenlijken?

We hebben allemaal gehoord over het enorme verlies aan mensenlevens bij de aardbeving in Haïti, maar we hebben niet genoeg gehoord over de reden waarom al die levens verloren gingen..

Aardbeving 2010
Op 12 januari 2010 wordt Haïti getroffen door een aardbeving. De 35 seconden durende beving heeft catastrofale gevolgen. Het epicentrum ligt in de buurt van de hoofdstad Port-au-Prince. De wederopbouw van het land verloopt traag. Een cholera epidemie en diverse tropische stormen bemoeilijken de wederopbouw.

Ongeveer een kwart van de bevolking van 9 miljoen mensen woont in de stad met veel sloppenwijken, uitgestrekte en overbevolkte volkswijken. Als een magneet heeft Port-au-Prince arme plattelanders aangetrokken. Stedenbouwkundig is de hoofdstad een ramp. Nieuwe wijken verrezen op hellingen, in kloven en ravijnen en waar er maar grond beschikbaar was; over voorzieningen en infrastructuur werd nauwelijks nagedacht.

Omvang aardbeving
De omvang van de ramp is enorm. De schattingen over het aantal doden lopen uiteen van 100.000 tot 350.000. Het aantal gewonden ligt rond de 300.000 en meer dan anderhalf miljoen mensen verliezen hun huis en komen terecht in kampen.
De noodhulpverlening komt de ochtend na de ramp traag op gang. In eerste instantie zijn het HaÏtianen zelf die met blote handen anderen probeerden uit te graven en elkaar gebrekkige medische hulp te verlenen. Later stromen hulpverleners vanuit het buitenland toe. Na een succesvolle fase van noodhulpverlening begint Haïti een moeizame weg naar de wederopbouw. Puin moeten worden opgeruimd, infrastructuur hersteld en de bewoners van de tentenkampen moeten andere huisvesting krijgen. Ook wordt er gezocht naar mogelijkheden om meer economische ontwikkeling te krijgen.

Cholera
Tot overmaat van ramp breekt in oktober 2010 een cholera-epidemie uit. Deze epidemie kost het leven aan 8000 mensen (anno 2013) en maakt 600.000 HaÏtianen ziek.

President Martelly
Op 28 november 2010 vinden presidentsverkiezingen plaats. Als winnaar komt de zanger Michel Martelly  aka Tèt Kalé, de Kale. Zijn programma bestaat uit 5 E’s: emploi (werkgelegenheid), éducation (onderwijs), état de droit (rechtsstaat), environnement (milieu) en énergie. Zijn regeerperiode – met aanvankelijk Gary Conille en later Laurent Lamothe als eerste minister – kenmerkt zich door talrijke botsingen en conflicten met het parlement, waarin zijn partij slechts enkele zetels heeft. Er vinden diverse wisselingen plaats binnen de regeringsploeg van Martelly.
Opmerkelijk is de terugkeer van Jean Claude Duvalier en later ook Aristide naar Haïti in het voorjaar van 2011.

Drie jaar na de aardbeving wonen er nog steeds tienduizenden mensen in kampen. Net buiten Port-au-Prince is een grote nieuwe wijk ontstaan (Canaan / ONAville (VN-stad)) waar veel mensen die door de aardbeving hun huis hebben verloren, naar toe zijn getrokken. Een nieuwe sloppenwijk in wording.